- clinch
- n. vaste greep, omklemming--------v. omklemming; omarming; knagel; schermutselingclinch1[ klintsj] 〈zelfstandig naamwoord〉1 vaste greep ⇒ omklemming2 〈boksen〉clinch3 〈informeel〉omarming ⇒ omhelzing4 〈techniek, technologie〉knagel5 〈Amerikaans-Engels〉handgemeen ⇒ schermutseling♦voorbeelden:1 hold something in a clinch • iets stijf vasthouden 〈ook figuurlijk〉————————clinch2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 〈boksen〉(met elkaar) in de clinch gaan ⇒ lijf aan lijf staan2 〈informeel〉elkaar omhelzenII 〈overgankelijk werkwoord〉1 〈techniek, technologie〉ken 〈knagel〉2 〈techniek, technologie〉vastken ⇒ aaneenken 〈stukken hout〉3 beken ⇒ sluiten, afmaken 〈overeenkomst, transactie〉♦voorbeelden:3 that clinched the matter • dat gaf de doorslag
English-Dutch dictionary. 2013.